Naar aanleiding van vragen van medewerkers bij de NPO stelde de Eerste Kamer vragen aan de Minister van Binnenlandse Zaken over zwijgbedingen en de Wet bescherming klokkenluiders. Een beetje eigenaardig, aangezien men de wet net twee weken daarvoor had aangenomen. Inmiddels heeft de Minister geantwoord. Is er nu duidelijkheid?
Zoals we in onze vorige nieuwsbrief aangaven, heeft de Eerste Kamer de Wet bescherming klokkenluiders op 24 januari 2023 goedgekeurd als hamerstuk. Vervolgens heeft men op 3 februari een brief gestuurd naar de Minister voor een nadere uitleg van de wet. De aanleiding is een bericht in de Volkskrant met als titel ‘NPO-werknemers riskeren duizenden Euro’s boete als ze uit de school klappen over hun werk’. Waarschijnlijk had deze brief te maken met de misstanden rond Studio Sport, waar in de Volkskrant inmiddels een uitgebreid artikel over is verschenen. Zie ook het vorige artikel in deze nieuwsbrief.
Voor de melders van ongewenst gedrag bij Studio Sport is het natuurlijk goed om te weten of zij een boete van duizenden euro’s riskeren als zij hier een boekje over open doen, of dat zij beschermd zijn volgens de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk). Dan moet je weten of hier sprake is van een misstand, zoals gedefinieerd door de Wbk. Daar heeft de Eerste Kamer dan ook vragen over gesteld.
De Minister begint haar antwoord met het bedanken van de Eerste Kamer voor de snelle behandeling en aanvaarding van de Wet bescherming klokkenluiders. Immers, deze versterkt de positie van klokkenluiders aanmerkelijk. Bijkomend voordeel was dat door de Europese Commissie geen infractieprocedure aanhangig is gemaakt tegen Nederland wegens een te late omzetting van de EU-richtlijn. Wij vermoedden al dat de haastige goedkeuring van de Wbk te maken had met de dreiging van boetes vanuit Brussel.
De Minister gaat eerst in op de zwijgbedingen. Zwijgbedingen die sinds 18 februari jl. zijn afgesloten, zijn nietig voor zover die het recht ontnemen om een vermoeden van een misstand te melden of openbaar te maken. Eerder overeengekomen geheimhoudingsbedingen zijn niet nietig maar kunnen (deels) ongeldig zijn als daarin is bepaald dat geen melding mag worden gedaan van een misstand. Dat is inderdaad de strekking van de wet.
De vraag is dan bij welke vormen van seksuele intimidatie en bij welke vormen van corruptie er sprake is van een misstand. De Minister geeft aan dat het niet mogelijk is om dit limitatief te benoemen. Per concrete feitelijke situatie moet dit getoetst worden aan de criteria die in de wettelijke definitie van een misstand staan:
- Het raakt niet enkel persoonlijke belangen
- Er is een patroon of structureel karakter of de handeling of nalatigheid is ernstig of omvangrijk
Bij seksuele intimidatie kan hier sprake van zijn, als er een situatie is die uitstijgt boven een persoonlijk belang. Daarnaast moet er een patroon of structurele vorm van seksuele intimidatie zijn, dan wel seksuele intimidatie van een zodanig ernstige om omvangrijke vorm dat daardoor het algemeen belang wordt geraakt. Hiermee moet rekening worden gehouden met de ernst van het feit, de aard van de belangen en de functie van degene die vermoed wordt seksueel te hebben geïntimideerd. Via voorlichting en communicatie met voorbeelden wil de minister meer duidelijkheid gaan geven aan potentiële melders. In de brief komen geen voorbeelden aan de orde, dus daar moeten we blijkbaar nog op wachten.
Hoe kunnen melders nu weten of er sprake is van een misstand, waardoor hun eventuele zwijgbeding niet is? De minister erkent dat dit voor slachtoffers moeilijk te beoordelen is, maar dat ze voor advies en informatie terecht bij het Huis voor klokkenluiders.
Tsja, wat kan de individuele klokkenluider nu met zo’n antwoord? En beschikt het Huis voor klokkenluiders in voorkomende gevallen wel over voldoende informatie om dit in te kunnen schatten? Hoe kan de individuele klokkenluider of het Huis bijvoorbeeld weten of er sprake is van een patroon van seksuele intimatie bij deze werkgever, als slechts één klokkenluider zich meldt? Ons inziens legt de Eerste Kamer hier de vinger op de pijnlijke plek. Ons advies is dan ook om alle vormen van seksuele intimidatie gewoon te bestempelen als een misstand.
In de debatten in de Tweede Kamer heeft de Minister aangegeven dat ze wil voorkomen dat individuele arbeidsconflicten opeens onder de Wet bescherming klokkenluiders komen te vallen. Bijvoorbeeld doordat een werknemer zijn werkgever beschuldigt van intimidatie tijdens een ontslagprocedure. Ons advies is dan vervolgens om aan de wet toe te voegen dat individuele arbeidsrechtelijke kwesties niet onder de werking van de Wbk vallen.
De Eerste Kamer heeft hierover, en over nog een aantal andere interessante kwesties, een aantal vervolgvragen gesteld. Meer hierover in onze volgende nieuwsbrieven. Hierop kun u zich hier abonneren.
Meer weten hierover? Volg dan onze cursus of vraag onze whitepaper aan.
De minister merkt overigens ook nog op dat seksuele intimidatie verboden is en het de verantwoordelijkheid is van de werkgever om seksuele intimidatie op de werkvloer tegen te gaan. De werkgever dient daarvoor een plan van aanpak op te stellen. Dat is inderdaad zo. Het lijkt ons dat een goede meldprocedure, een onderzoeksprotocol en onafhankelijke opvolging daar deel van moeten uitmaken.



