In juli 2026 bracht het Huis voor Klokkenluiders weer een onderzoeksrapport over een klokkenluiders misstand bij een gemeente. Wederom is zowel de mogelijke misstand als de benadeling van de klokkenluider onderzocht. Het Huis komt tot een ander oordeel dan de rechter en vestigt de aandacht op een aantal belangrijke en interessante zaken.
In dit geval gaat het om een financieel beleidsadviseur bij een middelgrote gemeente in Nederland. Deze vermoedde dat de informatievoorziening en besluitvorming ten aanzien van een re-integratieproject niet correct was verlopen. En claimde benadeeld te zijn na het indienen van een melding. Het Huis voor Klokkenluiders heeft het onderzocht.
Het project
In 2021 besloot de gemeente om te investeren in de gezondheid en vitaliteit van haar inwoners door een vitaliteitsproject te starten met een budget van 1,2 miljoen euro per jaar. In het voorjaar van 2021 zijn er vervolgens gesprekken gevoerd met de voorzitter van een stichting over een re-integratieproject voor arbeidsongeschikte medewerkers van de gemeente en bijstandsgerechtigden van de gemeente. In december 2021 krijgt de stichting de opdracht van de gemeente om dit nader te onderzoeken. Het onderzoeksbudget is gemaximeerd op EUR 135.000 euro, later bijgesteld naar 120.000 euro. Op 24 mei 2022, een dag voordat een nieuw college van B&W wordt geïnstalleerd (!), krijgt de stichting opdracht om het re-integratieproject uit te voeren. Deze wordt getekend door de voorzitter van de stichting en de toenmalige wethouder Sociale Zaken. Het haalbaarheidsonderzoek was op dat moment nog niet klaar; de eindrapportage volgde pas eind juni 2022. ‘Uiteraard’ was de uitkomst van het onderzoek positief en een maand later krijgt de stichting op diens verzoek een opstartbudget van EUR 80.000 van de gemeente.
In de zomer van 2022 stelt de gemeente aan het college voor om een overeenkomst met de stichting aan te gaan ter waarde van maximaal EUR 750.000. In dat geval zou een Europese aanbesteding niet nodig zijn. Op 20 september 2022 ging het (nieuwe) college akkoord met een addendum op de overeenkomst van 24 mei waarin dit wordt vastgelegd. Echter, dit addendum is nooit ondertekend. Formeel geldt daardoor alleen de overeenkomst van 24 mei 2022.
Belangenverstrengeling?
Op 9 november 2022 heeft het nieuwe college een brief gestuurd naar de voormalige wethouder Sociale Zaken, die eerder dat jaar vanuit diens toenmalige functie de overeenkomst met de stichting had getekend. Zij hadden gehoord dat de voormalige wethouder wellicht de mogelijkheid had om een dienstverband bij de stichting aan te gaan, en men raadde hem dat af, vanwege het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling. De voormalige wethouder reageert dat hij was gevraagd om als een soort ambassadeur de interventiemethode bij gemeenten en bedrijven onder de aandacht te brengen. Hij zag daarin geen risico op (de schijn van) belangenverstrengeling, omdat hij niet voor de gemeente zelf zou werken. Wel gaf hij aan om vanaf 1 januari 2023 als vrijwilliger aan de slag te gaan voor de stichting. Later verklaarde hij tegen de onderzoekers van het Huis voor Klokkenluiders (Huis) dat hij hier voor een mondeling overeengekomen uurtarief ontving.
De meldingen
In september 2022 vonden de eerste betalingen aan de stichting plaats vanuit het participatiebudget. Dit riep vragen op bij de financieel beleidsadviseur die dit budget beheerde, aangezien hij niet op de hoogte was van het re-integratieproject, noch van de stichting. Hij deed daarom navraag bij zijn direct leidinggevende en besloot ook zelf onderzoek te doen. Hij besprak zijn zorgen over het besluitvormingsproces vervolgens met zijn directe en zijn hogere leidinggevende. En in november 2022 ook met de (nieuwe) wethouder van Sociale Zaken.
Einde project
In november 2023 zijn de gemeente en de stichting uiteindelijk overeengekomen dat de overeenkomst van 24 mei 2022 was afgewikkeld en per 15 september 2023 was beëindigd. In totaal heeft de gemeente voor het gehele re-integratieproject in 2022/2023 1,7 miljoen euro betaald.
Benadeling?
Ondertussen had de beleidsadviseur zich op 3 oktober 2023 ziekgemeld. Gedurende zijn ziekteverlof sprak hij verschillende keren met zijn direct leidinggevende(n) en met de wethouder Sociale Zaken, waarbij ook het re-integratieproject opnieuw ter sprake kwam.
Op 18 december 2023 was er weer een gesprek gepland tussen de beleidsadviseur en zijn direct leidinggevende, dat over zijn re-integratie zou gaan. Tijdens het gesprek kreeg de adviseur echter vragen over het feit dat zijn naam op een gevelbord van een advocatenkantoor was aangetroffen. De gemeente had besloten om een integriteitsonderzoek in te stellen, omdat de adviseur niet had gemeld dat hij als advocaat(-stagiair) nevenwerkzaamheden had bij dit advocatenkantoor. Ook de advocaat van de gemeente was hierbij aanwezig in de rol van senior beleidsmedewerker P&O. Zij gaf aan dat de adviseur bij een eventuele herstelmelding direct geschorst zou worden.
Nog tijdens het integriteitsonderzoek werd de adviseur op 5 januari 2024 geschorst en in februari werd hem medegedeeld dat de gemeente het voornemen had om zijn dienstverband te beëindigen vanwege het gebrek aan openheid over de nevenwerkzaamheden. De adviseur reageerde daarop in februari met een brief waarin hij aangaf dat zijn leidinggevenden niets met zijn meldingen over een vermoeden van misstanden bij het re-integratieproject hadden gedaan en in de brief deed hij opnieuw een melding van een vermoeden van een misstand, ditmaal bij de gemeentesecretaris.
Desalniettemin verzocht de gemeente op 29 maart 2024 de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met de adviseur te ontbinden en in juni 2024 kende de kantonrechter dit verzoek toe, onder meer omdat de adviseur de gemeente had moeten informeren over diens nevenfunctie. Ook oordeelde de kantonrechter dat de adviseur niet aannemelijk had kunnen maken dat hij vóór zijn schorsing een melding had gedaan van een misstand. In hoger beroep bij het hof werd zijn ontslag om dezelfde redenen bevestigd, waarop de adviseur in juli 2024 het Huis verzocht zijn zaak te onderzoeken.
Oordeel van het Huis over de misstand
Het Huis concludeert dat er bij het sluiten van de overeenkomst voor de uitvoering van project niet volgens de wettelijke en interne regels is gehandeld en dat er sprake was van een misstand. Immers, aan de overeenkomst van 24 mei 2022 lag geen schriftelijke bestuurlijke besluitvorming of ambtelijke voorbereiding ten grondslag. Het is daardoor niet duidelijk of de toenmalige wethouder Sociale Zaken de volmacht had om de overeenkomst te ondertekenen namens het college van B&W. Ook had de gemeente voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst een deugdelijke en objectieve raming moeten uitvoeren van de kosten. Afhankelijk hiervan moest de juiste wijze voor een (Europese) aanbesteding of gunning worden bepaald. De gemeente stelt dat er mondeling was besloten tot het tekenen van de overeenkomst van 24 mei, maar dan nog is niet gebleken dat het voortraject aan de wettelijke en interne regels voldoet. Aangezien het addendum bij de overeenkomst nooit is ondertekend, is het eigenlijk ook niet tot stand gekomen.
De wettelijke en interne regels en procedures zijn dus niet gevolgd. Het Huis kwalificeert dit als een misstand, omdat er meer dan persoonlijke belangen in het spel zijn en de overtreding bovendien ernstig is.
Voor het vermoeden van belangenverstrengeling vond het Huis onvoldoende aanwijzingen. Er kon niet vastgesteld worden of de voormalige wethouder bij de ondertekening van de overeenkomst op 24 mei 2022 afspraken maakte of had gemaakt om tegen betaling voor de stichting te gaan werken. Desalniettemin roept dit wel de nodige vragen over de schijn van belangenverstrengeling op.
Oordeel van het Huis over de benadeling
Het Huis stelt vervolgens ook vast dat de gemeente de melder heeft benadeeld na het doen van de melding. De eerste meldingen van de adviseur vonden plaats tussen september 2022 en oktober 2023. Destijds gaf hij meermaals mondeling zijn zorgen over het project aan bij zijn leidinggevenden en bij de wethouder Sociale Zaken. Van de gemeente had mogen worden verwacht dat zij die signalen opvatte als een melding in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders.
De melder is vervolgens geschorst en ontslagen. Ook het integriteitsonderzoek kan gezien worden als een vorm van benadeling. Deze handelingen waren echter niet het gevolg van de meldingen van de adviseur maar hadden te maken met diens nevenwerkzaamheden die niet waren goedgekeurd door de gemeente.
Wel plaatst het Huis kanttekeningen bij het gesprek op 18 december 2023, waarbij de adviseur werd overvallen door zowel het onderwerp van gesprek – dat anders was dan aangekondigd – als door de onaangekondigde aanwezigheid van de advocaat, die later ook betrokken was bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Daarnaast constateert het Huis dat de gemeente niet de wettelijk en intern voorgeschreven procedures volgde na het indienen van de meldingen door de adviseur. Zij ziet dit als een vorm van benadeling van de adviseur na het doen van de meldingen.
Het Huis komt dus tot een andere conclusie dan het hof en verklaart dit zelf doordat zij over meer informatie beschikte dan het hof, doordat zij de leidinggevenden en de adviseur onder ede heeft gehoord.
Dit roept de vraag op wat de melder nu kan doen om zijn recht te halen. Is er nog een hoger beroep mogelijk? Zou dat wat veranderen aan de ontslagzaak? Feit blijft dat de adviseur zijn nevenactiviteiten had moeten melden. Kan de werkgever voldoende overtuigend bewijzen dat het ontslag helemaal niets te maken heeft met de melding? Volgens de EU-richtlijn moet de werkgever aantonen dat de benadeling op geen enkele wijze verband houdt met de melding. In de Wet bescherming klokkenluiders staat dat een melder tijdens en na de behandeling van een melding niet mag worden benadeeld en als deze wel wordt benadeeld, dat er dan wordt vermoed dat de benadeling het gevolg is van de melding. In de jurisprudentie zien we dat melders dan toch nog wel eens worden ontslagen op basis van andere factoren, bijvoorbeeld onder het mom van een verstoorde arbeidsverhouding.
Interessante en belangrijke aandachtspunten
Het Huis geeft ook nog een aantal aandachtpunten mee:
- Het indienen van een melding van een vermoeden van een misstand is vormvrij. Leidinggevenden moeten hier attent op zijn. Als een medewerker zijn zorgen uit bij een leidinggevende, dan dient deze bij de werknemer na te vragen of het hier om een melding gaat.
- De rol van Integriteitscoördinator had de gemeente belegd bij de afdeling P&O. Dat had tot gevolg dat degene die integriteitsonderzoeken verrichtte ook betrokken was bij het nemen van personele maatregelen. Dat is onwenselijk.
- Een gemeente dient zich te houden aan wettelijke en interne voorschriften, en als achteraf blijkt dat iets niet goed is gegaan, dan dient men daar transparant over te zijn. Ook dat is onderdeel van een integere organisatie!
Als De Integriteitscoördinator wordt aangesteld voor het ontvangen en opvolgen van meldingen, dan vragen wij ook altijd of wij de leidinggevenden mogen trainen, opdat zij een melding herkennen en weten wat ze dan moeten doen. Uit deze casus blijkt weer eens hoe belangrijk dit is!
Ook wijzen we er nogmaals op dat het niet onderzoeken van een melding door het Huis gezien wordt als een vorm van benadeling. Voor veel werkgevers is dit niet een gedachtegang die spontaan opkomt, dus het is goed om te weten.
En het beleggen van de rol van Integriteitscoördinator bij de afdeling P&O is vaak geen goed idee. Hier gaan wij uitgebreid op in tijdens onze cursus.



