Nadat het Huis voor Klokkenluiders (het Huis) een onderzoek afrondt, publiceert men een geanonimiseerd onderzoeksrapport. Tot nu toe zijn er negen rapporten verschenen.

Een jaar geleden, in januari 2021, publiceerde het Huis een rapport waar belangrijke lessen uit te trekken zijn voor bestuurders, integriteitscoördinatoren en ethics & compliance officers. Het rapport mag dan geanonimiseerd zijn, degenen die een beetje thuis zijn in de materie herkenden al snel de betrokkenen. Niet in het minst omdat de klokkenluider zelf kort daarop een interview aan het NRC Handelsblad gaf.

In 2013 had ze al een boek geschreven over de kwestie. Ook kwam ze voor in een documentaire van Frans Bromet over klokkenluiders, genaamd ‘Stank voor dank’, die in 2016 op het Fraude Film Festival in première was gegaan. Daar nam ze ook deel aan een paneldiscussie.

Iedereen die hierbij aanwezig is geweest of de documentaire op tv heeft gezien zal geneigd zijn haar te erkennen als klokkenluider. Ze heeft zonder twijfel een maatschappelijke misstand aangekaart, die grote gevolgen heeft gehad. Ze is ontslagen en heeft hier nog jaren zichtbaar onder geleden. De feiten geven echter een iets genuanceerder beeld. Hieronder geven we een samenvatting daarvan, voornamelijk op basis van het rapport van het Huis.

De melder is een oud-medewerkster van SNS Property Finance, het latere Propertize. Zij werd in 2010 door de Chief Restructuring Officer (CRO), Buck G., gevraagd om als ZZP-er mee te werken aan de afbouw van de internationale vastgoedportefeuille van SNS, waaronder ook een buitenlands vakantiepark.

Medio 2011 besloot de onderneming om het vakantiepark als geheel te verkopen en niet in onderdelen, zoals aanvankelijk voorzien. Daarom moeten haar werkzaamheden voor het vakantiepark worden afgebouwd. Volgens de medewerkster is deze beslissing niet in het belang van de onderneming en werd het besluit ingegeven door verkeerde bedoelingen van de CRO en anderen binnen de vastgoedonderneming. Van augustus 2011 tot april 2012 heeft zie hierover woordenwisselingen met (vooral) de CRO.

Desalniettemin droeg zij een koper voor, die echter begin april 2012 door SNS werd afgewezen. Kort daarna werd ook haar contract beëindigd. Vervolgens ontstond er een discussie over zowel de afwijzing van de koper als de beëindiging van het contract. De medewerkster gaf bij SNS aan dat er sprake was van “gesjoemel op grote schaal” en “verregaande vermenging van privé-belangen”. Achteraf blijkt dat de medewerkster dit zag als haar melding van een vermoeden van misstanden; een rechtbank oordeelde daar later anders over, omdat dit geen melding was volgens de geëigende wegen en de melder in dezelfde email de wens uitsprak om tot een regeling te komen. Vervolgens kreeg zij op 26 april 2012 een brief van een buitenlandse, Engelstalige advocaat van de organisatie waarin de beschuldigingen werden verworpen en zij gewaarschuwd werd, dat het openbaren van informatie om financieel voordeel te krijgen een ernstig strafbaar feit kan zijn.

Op 25 mei 2012 overhandigde de medewerkster een brief, gericht aan de afdeling Compliance, aan deze advocaat, waarin zij stelde dat er sprake was van fraude en malversaties binnen SNS Property Finance. De brief bevatte 11 voorbeelden hiervan, waaronder kick-back fees die de CRO, buiten de vastgoedonderneming om, in rekening bracht bij personen die hij namens de onderneming had ingehuurd.

Het bestuur van de holding ontving de brief uiteindelijk op 8 juni 2012, waarna men deze onmiddellijk doorstuurde aan Compliance en de CRO. De Compliance Officer startte daarop een onderzoek en concludeerde dat de beschuldigingen een feitelijke grondslag misten, maar dat er wel aandachtspunten uit voortvloeiden voor de onderneming en de CRO. Vervolgens vond er in juli 2012 een stevig gesprek plaats tussen de CEO van de onderneming, de Compliance Officer en de CRO, waarin de laatste werd gewezen op het belang van transparantie en het tegengaan van belangenverstrengeling.

In juni 2012 heeft de medewerkster dan al aangifte gedaan bij de FIOD. In oktober deed ze een aanvullende melding bij SNS en verstrekte daarbij onderbouwende documenten. Daarop volgde er een uitgebreid intern onderzoek, waarna SNS in 2013 aangifte doet tegen een aantal (voormalige) medewerkers en de CRO. Ook doet de onderneming aangifte tegen de medewerkster, omdat zij deze verdenkt van een (weliswaar beperkte) betrokkenheid. Zo zou zij al sinds 2010 geweten hebben van de kick-back constructie van de CRO, hieraan meegewerkt hebben en deze ook zelf schoorvoetend betaald hebben.

Het Openbaar Ministerie besluit haar echter niet te vervolgen, aangezien via haar aangifte de zaak aan het licht is gekomen, vanwege haar openheid over de kwestie, vanwege gebrek aan bewijs en de beperkte schaal van haar betalingen.

Een aantal andere (ex)medewerkers worden wel vervolgd. In 2018 wordt de CRO in hoger beroep tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege omkoping, valsheid in geschrifte, witwassen en het leiden van een criminele organisatie. Andere betrokkenen krijgen ook straffen opgelegd.

In mei 2016 komen de medewerkster en de vastgoedonderneming een vaststellingsovereenkomst overeen, met als doel om het geschil definitief minnelijk te schikken. In 2017 vraagt de medewerkster het Huis voor Klokkenluiders om een bejegeningsonderzoek te starten naar de wijze waarop de vastgoedonderneming haar heeft behandeld. Het Huis start het onderzoek in 2019 en publiceert de uitkomst begin 2021. De conclusies luiden:

  • Uit de wet blijkt dat het Huis een onderzoek kan instellen naar gebeurtenissen van vóór de inwerkingtreding van de Wet Huis voor Klokkenluiders.
  • Bij de misstand was het maatschappelijk belang in het geding, mede gezien de financiële schade (SNS moest uiteindelijk gered worden door de overheid vanwege de problemen bij de vastgoedtak) en de schade aan het vertrouwen in de financiële sector.
  • De medewerkster had dus een redelijk vermoeden van een maatschappelijke misstand.
  • Zij meldde dat eerst bij SNS via de brief van 25 mei 2012

Echter, zij was in april 2012 al ontslagen. Het ontslag was dus niet het gevolg van de melding! De door SNS aangevoerde bedrijfseconomische en strategische motivatie voor het ontslag acht het Huis niet onredelijk. En eerder oordeelde een rechtbank al dat zij de fraude wel wat eerder had mogen melden.

Toch vindt het Huis dat de medewerkster is benadeeld als gevolg van de melding. Hoe dat zo?

Het Huis voert aan dat de brief van 25 mei 2012 door de Holding tegelijkertijd naar de Compliance Officer en naar de CRO is gestuurd. Daardoor is de CRO te vroeg en te nauw betrokken geweest bij de behandeling van de melding. Hierdoor is het vertrouwen dat de meldster mocht hebben in een zorgvuldige en discrete behandeling van haar melding beschaamd. Daarnaast wekte SNS de onjuiste indruk bij de melder dat haar melding tot niets had geleid.

Deze twee onzorgvuldigheden leiden volgens het Huis op zijn minst tot een procedurele onrechtvaardigheid van zodanige aard, dat deze als benadeling is aan te merken. Een andere benadeling heeft het Huis niet kunnen vaststellen.

Mijns inziens volgt het Huis hier een smal pad om tot een conclusie te komen, die veel mensen intuïtief wel juist zullen vinden.

Het Huis merkt verder nog op dat beide partijen onvoldoende moeite hebben gedaan om het zakelijke geschil te scheiden van de melding. De melder wekte meermaals de suggestie bij SNS dat een goede oplossing van het zakelijke geschil van invloed zou zijn op haar meldgedrag. Dit is niet het gedrag wat men van een “goede melder” mag verwachten. Echter, ook SNS bracht onvoldoende scheiding tussen de twee processen aan. Zo is in de brief van 26 april de melder alleen gewaarschuwd, zonder dat haar de juiste weg werd gewezen voor het doen van een interne melding. Ook was het niet bevorderlijk dat SNS zich liet vertegenwoordigen door buitenlandse, niet-Nederlandstalige advocaten die niet thuis waren in het Nederlands recht.

Tot slot geeft het Huis aan dat de interne melding en de aangifte bij de FIOD uiteindelijk een belangrijke rol gespeeld hebben bij het aan het licht brengen en stoppen van de misstand (de corruptie), waarna meerdere (ex)medewerkers werden veroordeeld.

Wat kunnen ethics & compliance officers, integriteitscoördinatoren en bestuurders nu leren van deze casus?

  1. Het is belangrijk dat een melding wordt herkend als een klokkenluidermelding. Medewerkers en het management dienen hierop getraind te worden.
  2. Vervolgens dient het onderzoek naar aanleiding van een melding op een onafhankelijke en vertrouwelijke manier plaats te vinden. Het is uiteraard niet de bedoeling dat een melding linea recta wordt doorgestuurd naar de beschuldigde partij.
  3. Ook is het belangrijk dat de terugkoppeling naar de melder juist is.

Met de inwerkingtreding van de Europese richtlijn voor de bescherming van klokkenluiders is dit nog belangrijker geworden. In de richtlijn en in de nieuwe – nog niet definitief vastgestelde – Wet bescherming klokkenluiders is namelijk expliciet opgenomen dat het melden en de opvolging vertrouwelijk en onafhankelijk moet plaatsvinden. Ook dienen melders binnen 7 dagen een ontvangstbevestiging te krijgen en binnen 3 maanden hierna geïnformeerd te worden over de beoordeling en, voor zover van toepassing, de opvolging van de melding. Het spreekt voor zich dat deze informatie juist moet zijn.